“Niet te gehoorzaam zijn”: een VUB-leven tussen kunst, educatie en vrij denken
- Oudstudentenbond VUB

- 2 dagen geleden
- 6 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 1 dag geleden

Hij kwam naar de VUB voor de kleinschaligheid, bleef hangen door een professor die zijn leven omgooide, hielp mee de culturele werking op de nieuwe campus vormgeven en bouwde vervolgens een academische loopbaan uit rond één centrale vraag: hoe breng je mensen bij kunst en cultuur? Vandaag is hij emeritus, maar nog lang niet klaar. “Ik blijf schrijven over kunstenaars. Dat is mijn wereld.”
Van klassieke filologie naar filosofie: “Ik wilde professor worden”
De keuze voor de VUB was aanvankelijk verrassend pragmatisch. Waar Gent tientallen studenten klassieke filologie telde, leek Brussel bijna privéles. “We waren met vijf toen ik me inschreef.” Maar al snel ontdekte hij dat filologie niet zijn eindbestemming was. Het verlangen om professor te worden zat er wél vroeg in, niet uit ijdelheid, zegt hij, maar uit een gevoel voor vrijheid. “Ik heb altijd absurd bang geweest van hiërarchie. Ik ben qua aard een anarchist.”
Die vrijheid vond hij in de filosofie, en vooral bij Leopold Flam, de docent die hem niet alleen inhoudelijk prikkelde, maar hem ook een richting gaf. “Die man heeft mijn leven veranderd. Hij heeft mij gestimuleerd om te leren denken.” "Flam is niet door de wetenschappelijke publicaties van zijn discipelen bekend geraakt, maar door de twee boeken van Kristien Hemmerechts. Dat verdient die man, al maakt ze er een collega van ‘Ik Jan Cremer’ van en moffelt ze weg dat hij de denker is die stelde dat filosofie atheïsme is.”
Wist je dat…
… VUB-professor en vrijdenker Leopold Flam (1912–1995) in zijn werk Ethisch Socialisme (1960) dieper ingaat op de vrijzinnigheid en vrijdenken? Voor Flam is zij een actieve en moedige levenshouding. Zij is niet alleen theorie, maar dient ook praktijk te zijn. In de laatste uitgave (2025) van het Nationaal Biografisch Woordenboek kan je een bijdrage vinden over Leopold Flam door Willem Elias, emeritus-hoogleraar aan de VUB, gewezen student van Flam én Flamkenner. Hij slaagt er als geen ander in om Leopold Flam – de Vlaamse Sartre - terecht terug onder de aandacht te brengen. Recent was dit zijn lemma in de prestigieuze reeks Het Nationaal Biografisch Woordenboek, waar biografieën van belangrijke en invloedrijke Belgische figuren worden opgenomen. Zij wordt uitgegeven door de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten. Elias werkte ook mee aan meerdere publicaties over Flam – zoals het boek Ecce Philosophicus. Leven en werk van Leopold Flam en Leopold Flam (1912-1995), een filosoof van gisteren voor een wereld van morgen.
Flam, Leopold, Ethisch Socialisme, Uitgeverij Ontwikkeling : Antwerpen, 1960

Eerst leraar zedenleer, dan toch naar de universiteit
Na zijn studies ging hij niet meteen het onderzoek in. Eerst werd hij leraar zedenleer in het secundair onderwijs. In die tijd draaide veel rond één woord: vaste benoeming. Hij studeerde moraalwetenschappen bij om die zekerheid te behalen, maar na drie jaar wist hij: dit is het niet. Pubers opvoeden was niet zijn roeping en onderzoek lonkte, al was die stap toen minder vanzelfsprekend dan vandaag.
Een toevallige kans bracht hem terug naar de VUB, via een tewerkstellingsstatuut in de context van de werkloosheidsbestrijding. Zijn opdracht: de vrijetijdsbesteding en cultuurparticipatie van VUB-studenten onderzoeken, precies op het moment dat de universiteit van campus veranderde. “Het was een nieuwe campus zonder infrastructuur. Hier gebeurde echt niets.”
En dus draaide hij het om: in plaats van alleen meten, begon hij ook te maken.
De culturele dienst: eerst doen, dan meten
Zijn idee was eenvoudig: als er weinig cultuur is, kan je ook over weinig cultuurparticipatie bevragen. Dus zocht hij middelen om activiteiten op poten te zetten, en pas daarna tevredenheid en participatie te onderzoeken. Die aanpak bleek bepalend. “Daar is eigenlijk de culturele dienst, die nu vandaag Pilar noemt, uitgegroeid.”
Hij combineerde een rol in die culturele werking met een halftijds assistentschap bij de agogen. In 1986 moest hij kiezen: zekerheid of wetenschap. Hij koos voor het risicovolle. “Ik heb voor de wetenschap gekozen. Dat is gelukt.”
Zijn doctoraat ging over de zin en functie van hedendaagse kunst voor de mens, een thema dat later uitgroeide tot zijn academische kern: de relatie tussen cultuur en educatie.
Cultuur met grote C — én participatie
In zijn denken botsen twee overtuigingen niet, maar versterken ze elkaar: kunst mag best “grote C” zijn, maar ze moet ook gedeeld worden. “Ik ga ervan uit dat niet-geparticipeerde kunst in feite geen kunst is. Kunst moet een betekenis hebben voor iemand.”
Dat standpunt is persoonlijk én biografisch. Hij komt uit een familie van kunsthistorici en schreef al jong over kunstenaars. Vandaag, jaren na zijn emeritaat, schrijft hij nog steeds catalogi, essays en boeken. Tijdens corona werkte hij intens aan een uitgebreid portret van Leopold Flam: niet als heilige, niet als bedrieger, maar als mens tussen twee extremen. “Ik heb geprobeerd die twee uitersten af te wegen, en de middenweg te zoeken.”
Studentenleven: pamfletten, TD’s en een campus in beweging
Zijn studententijd speelde zich af in de vroege VUB-jaren, vlak na mei ’68. Hij beschrijft een wereld van pamfletten en ideologische strijd: maoïsten, trotskisten, communisten en hijzelf als anarchist. “Ik had het meer voor Bakunin en Proudhon.”
Er was ook uitbundigheid: TD’s, elke dag uitgaan “omdat er maar zeven dagen in de week waren”, een kot dat later bijna mythische status kreeg (“Keet 38”), en een generatie die de seksuele revolutie volop meemaakte. Maar met de jaren kwam nuance. Hij verzet zich tegen het woord “nieuwe preutsheid” en wijst op iets wat toen onderbelicht bleef: geweld en machtsmisbruik. “Daar hadden wij geen oog voor. … Dat machtsmisbruik moet eruit.”
Lesgeven: geen PowerPoint voorlezen
Zijn ervaring als leerkracht leerde hem iets wat hij later meenam in de universiteit: improviseren, spreken met inhoud, en studenten echt betrekken. “Ik hoor nu dat er mensen zijn die een PowerPoint voorlezen. Dat vind ik geen lesgeven.”
Hij gelooft sterk in onderwijs dat vertrekt van praktijk en dialoog, niet van eenrichtingsverkeer. “Je moet eerst de praktijk doen. Het is pas dan dat je de theorie verstaat.” Wat hij mist in het hedendaagse academische leven is tijd: tijd om te denken, om te experimenteren, om “een beetje zot” te zijn in de goede zin. En vooral: minder administratie. “Je moet meer bewijs hebben dan doen. Je hebt geen tijd meer om het te doen.”
De agogie: sociaal, slim, en vaak onderschat
Over agogiek spreekt hij met opvallende warmte. Het type student dat hij er ontmoette, blijft hem bij: “Vaak zeer intelligente mensen die sociaal gevoelig zijn.” Hij herinnert zich ook hoe agogiek binnen de faculteit soms onderschat werd, terwijl studenten net blijk gaven van scherpte en zelfs tot in statistische details.
Agogie ziet hij als een vorm van niet-schoolse vorming: werken met groepen, gemeenschapsvorming, omgaan met conflict, bruggen bouwen tussen uiteenlopende mensen. In een superdiverse samenleving is dat volgens hem relevanter dan ooit. “Met migratie heb je agogen in het onderwijs nodig.”
Kunst en wetenschap: de ene analyseert, de andere verbeeldt
Kunst is voor hem geen luxe, maar een manier om mens en maatschappij te begrijpen, juist omdat kunst durft te werken in het halfduister. “In de wetenschap moet het duister eruit. … Maar in de wereld is er veel duister. Het mooie is dat de kunstenaar dat semi-duistere durft aftasten.”
Wetenschap en kunst vullen elkaar aan: “De ene analyseert de wereld, de andere verbeeldt hem.” Kunst brengt volgens hem geen “nieuwe ideeën” in de strikte zin, maar kan ideeën wél krachtig vormgeven en voelbaar maken, soms beter dan een wetenschappelijke tekst ooit kan.
Vrijzinnig humanisme: noodzakelijk, maar nooit een geloof
Over vrijzinnig humanisme is hij tegelijk trots en kritisch. Trots omwille van de Belgische context: “Ik leef graag in het meest ethische, vrije land.” Kritisch omdat vrijzinnigheid altijd het risico loopt een nieuwe orthodoxie te worden. “Het probleem is dat het geen geloof mag worden.”
Vrij denken is volgens hem essentieel, maar ook lastig: absolute twijfel is niet leefbaar. We móéten soms vertrouwen, op dokters, op experts, op systemen. Net daarom blijft de opdracht: kritisch blijven zonder verlamd te raken.
En de VUB? Die moet volgens hem waken over haar identiteit en tegelijk realistisch omgaan met de stad waarin ze staat. Brussel is divers, en dat is een kans, zegt hij, als de universiteit echt een rol kan spelen in het stimuleren van vrij onderzoek en kritisch denken. Halfslachtigheid vindt hij het gevaarlijkst: “Waar ik niet kan inkomen is de idee dat we maar half vrijzinnig zijn.”
Boodschap aan studenten: passie, vorming, en ongehoorzaamheid
Als hij één boodschap mag geven, is het deze: studeer niet alleen voor een papier. Zoek een domein dat je écht wil begrijpen en word er goed in. Europa heeft gevormde, kritische intelligentie nodig, zegt hij, geen diplomafabriek.
En vooral: “Niet te gehoorzaam zijn. Gehoorzaamheid is voor niets goed.”
Hoop voor 2026: minder oorlog, meer Europa
Zijn grootste ontgoocheling is de oorlog in Oekraïne, en ook het geweld in Gaza en Israël. Wat hem vooral treft, is hoe “simpel” het lijkt geworden om landen kapot te schieten met een immense menselijke én financiële kost. Hij hoop op een Europa waarin ook Rusland een plaats had, zonder dictators. Voor 2026 wenst hij vooral dat die oorlogen stoppen.











Opmerkingen